artikel

Software voor Supply Chain Network Design

Supply chain

Eén van de meest tot de verbeelding sprekende applicaties in de markt voor bedrijfssoftware is die voor Supply Chain Network Design. Het geeft een kick om met de muis een distributiecentrum van Milaan naar Warschau te slepen.

Artikel oorspronkelijk gepubliceerd in IT Logistiek op 1 juni 2003.

Bij de uitbreiding van de Europese Unie (EU) kan een kandidaat-lidstaat als Polen een aantrekkelijke optie zijn om er een distributiecentrum te openen. Maar is dat voor een Nederlands bedrijf nu echt verstandig? Welke klanten gaat het vanuit Polen beleveren, en haalt het dan zijn levertijden nog wel? Wegen de (lage) loonkosten wel op tegen de transportkosten? Wat is de optimale locatie?

           

Machtig gevoel

De meest tot de verbeelding sprekende applicatie in de markt voor bedrijfssoftware is ongetwijfeld die voor Supply Chain Network Design (Scnd). Het moet een manager een machtig gevoel geven om met de muis even een distributiecentrum van Milaan naar Warschau te slepen, en te kijken welke gevolgen dit heeft voor de kosten. In plaats van de duffe invoerschermpjes van bijvoorbeeld een ERP-pakket is er bij network design werkelijk iets te zien: de kaart van Europa met fabrieks- en magazijnicoontjes en kleine vrachtautootjes die de transportstromen uitbeelden.

        

Roy Lenders van Cap Gemini Ernst & Young (Cgey) inventariseerde de softwaremarkt voor het doorrekenen van ketens, en concludeert dat er twee soorten oplossingen zijn: voor tactische en voor strategische beslissingen. De pakketten voor tactische beslissingen zijn doorgaans tools die onderdeel uitmaken van Advanced Planning & Scheduling (APS)-systemen. Daarmee bepalen gebruikers in welke fabriek een product gemaakt moet worden. Manugistics en OM Partners zijn leveranciers in deze markt.

     

Met strategische pakketten bepalen bedrijven of er een nieuwe fabriek geopend of juist gesloten moet worden. Voorbeelden zijn Boss van Ortec, Supply Chain Design Engine van Synquest en Cast van Radical Limited. Er zijn ook leveranciers die beide markten bedienen, zoals ERP-leverancier J.D. Edwards en Groeneveld, die zich als reseller van Caps Logistics (Baan) alleen op de transportsector richt.

           

Radical dominant

Qua functionaliteit zijn Scnd-pakketten volgens Roy Lenders redelijk uitontwikkeld. Rob Mittelmeijer van Groeneveld kan dat beamen, maar wat volgens hem wèl is verbeterd, is de technologie. ‘Voorheen liet de uitkomst van een what if-analyse nog al eens op zich wachten. Nu gaat dat allemaal veel sneller.’ Het aantal pakketten op de markt is beperkt. Door het bijna extreem strategische karakter van de software is zo’n pakket alleen relevant voor multinationals, en dan ook nog slechts op incidentele basis, bijvoorbeeld na een fusie of acquisitie. De software wordt vaak niet door het bedrijf zelf aangeschaft, maar door logistiek dienstverleners of consultants die de tool inzetten bij hun advieswerk.

      

Volgens Lenders hanteren adviesbureaus steeds vaker wereldwijd één standaard tool voor de strategische beslissingen, en neemt leverancier Radical met het pakket Cast daarbij een dominante positie in. Ook zijn er bureaus die zelf een tool ontwikkelen. ‘Vroeger gebruikten wij ook nog wel APS-tools, maar die zijn veel te duur voor ons. Je moet een groot deel van het APS kopen om de tool te laten werken, en je krijgt een tijdelijke licentie. Specialistische pakketten als Cast koop je eenmaal en kun je vervolgens wereldwijd ongelimiteerd gebruiken. De installatiekosten zijn ook minder hoog.’

           

Postcodeniveau

Fervent gebruiker van Cast is ook consultancybureau Groenewout in Breda, niet te verwarren met Groeneveld. Alain Beerens, manager Supply Chain Management en regelmatig bij Scnd-projecten is betrokken, benadrukt de kracht van het simuleren. ‘Het pakket gaat op basis van een geografische kaart na welke route er van een distributiecentrum naar een klant moet worden afgelegd. Je geeft de kosten per kilometer in, de afspraken met een vervoerder in een bepaald land, de locatie van klanten op postcodeniveau, en het pakket rekent het center of gravity uit.’

           

En dat is volgens hem hét grote verschil met APS. ‘Dat maakt geen berekeningen op basis van die geografische kaart. Je moet zélf aangeven waar je een distributiecentrum neer wilt zetten en dan maakt het pakket een optimaal plan. APS is meer een kwestie van trial & error.’ Roy Lenders van Cgey is het hier deels mee eens. ‘Digitale kaarten worden normaliter op twee wijzen gebruikt: voor visualisatie en om adressen te matchen met coördinaten. In sommige APS-pakketten wordt de digitale kaart inderdaad alleen gebruikt voor visualisatie.’

            

Of een pakket als Cast altijd beter is dan een APS-achtig pakket, hangt volgens Beerens sterk af van de scope van de netwerkstudie. ‘Als je de hele keten, dus ook de positie van toeleveranciers en fabrieken, als variabele gaat beschouwen, kom je eerder bij APS uit. Die zijn vanuit de productieplanning ontwikkeld en kunnen daardoor beter omgaan met bijvoorbeeld stuklijsten en restricties op productielijnen. Bij de meeste projecten die wij doen gaat het echter alleen om het distributienetwerk en worden de productielocaties als vast beschouwd. Het gaat dan veel meer om het uitrekenen van het optimale aantal DC’s en de locaties.’

             

Geen valse opsmuk

Typisch voor Scnd is dus dat de software vooral door consultants wordt gebruikt. De software speelt hierin een belangrijke rol, maar is voor bedrijven niet doorslaggevend. Een bedrijf kiest in eerste instantie voor de consultant – kosten, referenties, etc. – en niet voor de tools die deze in z’n koffer heeft zitten. ‘Je doorloopt veelal een heel voortraject met het management voordat het besluit valt welk adviesbureau de netwerkstudie gaat verrichten’, zegt Alain Beerens van Groenewout.

             

De software wordt voor de klant pas echt zichtbaar tijdens de presentatie van de resultaten. Visualiseren is hierbij steeds belangrijker geworden. Topmanagers eisen van concultants dat ze laten zien hoe ze aan de resultaten komen. Mooie plaatjes met hierop de kaart van Europa met netwerkpunten en transportstromen zijn dus geen valse opsmuk maar hebben wel degelijk een rol.

                     

Bij een netwerkstudie gaat het ook niet zozeer om dé beste oplossing, maar veel meer om het doorrekenen van een aantal scenario’s. Zijn klanten moeten iets te kiezen hebben, vindt Beerens. ‘Het heeft geen zin om alleen maar de optimale oplossing te presenteren, want er zijn altijd factoren die een bedrijf voor een alternatief doen kiezen. Zoals laatst met een vleesverwerkingsbedrijf. Het optimum was één centraal magazijn, maar door mond- en klauwzeer werd gekozen voor twee DC’s in Europa.’

                       

Belangrijk bij een netwerkstudie is dan ook de gevoeligheidsanalyse. Hierbij krijgt een bedrijf inzicht in de parameters die van invloed zijn op de optimale keuze. Is een distributiecentrum in Polen nog steeds optimaal als de verkopen in Oost Europa met vijftien procent zouden stijgen? Beerens: ‘Dit zijn vaak lastige discussies omdat het voor mensen vaak lastig is om hier uitspraken over te doen. Het beste is dan om het omslagpunt uit te rekenen: als de verkoop met niet meer dan vijftien procent groeit is dít de optimale oplossing. Is de groei hoger dan is een alternatieve inrichting van het netwerk zoveel miljoen euro goedkoper. Op zo’n manier wordt iemand gedwongen om een realistische uitspraak te doen omdat hij niet verantwoordelijk wil zijn voor een verkeerde keuze.’

         

Kader bij artikel:

DOW CHEMICALS BOUWT EN SLUIT CHEMISCHE REACTORS MET J.D. EDWARDS

Dow Chemicals gebruikt het softwarepakket Strategic Network Optimization (SNO) van J.D. Edwards. Op strategisch niveau wordt voor de productgroep Latex besloten of een reactor kan worden gesloten of dat er juist een moet worden bijgebouwd. In het laatste geval rekent de software ook uit of dat een grote of een kleine reactor moet zijn.

Op tactisch niveau maakt het chemieconcern een planning voor het netwerk van productielocaties. Voor de productgroep isolatiemateriaal zijn er bijvoorbeeld twaalf productielocaties in Europa. ‘Het isolatiemateriaal weegt wel dertig kilogram per kubieke meter. Het transport is dus erg duur en daarom willen we de afstand tot klanten zo klein mogelijk maken’, vertelt Gerrit Govaerts van Dow Chemicals in België. ‘Omdat het volumineuze producten zijn, die in totaal duizenden kubieke meters in beslag nemen, maken we ook veel gebruik van externe opslagplaatsen.’ Met SNO bepaalt Dow in welke plant de fabrikant welke producten gaat maken voor welke klant en waar het opgeslagen moet worden.

                

Eén op één wiskunde

‘Voor één geïntegreerde productieplanning heb je een lineair programmeringstool nodig. Daar kom je niet uit met Excel. Vergeet het maar, daar is het veel te complex voor. We rekenen met modellen met een half miljoen variabelen’, vertelt econometrist Govaerts. ‘SNO kent geen beperkingen tot wat je kan construeren. Dat is het mooie van dit pakket. De problematiek in onze plants kan heel erg verschillen.’

      

Een multifunctioneel team levert de input voor de te maken beslissing en op basis daarvan gaat Govaerts het model bouwen in SNO. ‘Ik probeer de optimale oplossing te bereiken en een collega bekijkt of deze ook sociaal aanvaardbaar is. Soms blijkt dat het optimale scenario helemaal niet veel duurder is dan een intuïtief scenario. In dat geval ga je niet je halve organisatie omgooien.’ Govaerts draait per beslissing ongeveer vijftig scenario’s.

Mocht SNO een oplossing voorstellen die onwaarschijnlijk lijkt, kijkt Dow naar de procesflows. Die worden grafisch afgebeeld. ‘Geen mens die uit een half miljoen vergelijkingen een foutje haalt; dat zie je makkelijker in het grafische scherm. Dat scherm geeft één op één de wiskunde weer. Het is dus erg belangrijk om te weten wat er met de wiskunde gebeurt als je een aanpassing maakt in de grafiek.’

 

Reageer op dit artikel