nieuws

Rechtszaak Hongaarse chauffeurs, FNV en Van den Bosch: zo zit het echt

Logistieke dienstverlening 966

De langslepende rechtszaak tussen tien Hongaarse chauffeurs, FNV en Van den Bosch duurt voort. De Hoge Raad heeft de zaak terugverwezen naar het gerechtshof. FNV claimt dit als een overwinning, maar dat is voorbarig. De strijd is allesbehalve gestreden.

Rechtszaak Hongaarse chauffeurs, FNV en Van den Bosch: zo zit het echt

Wel of niet Nederlands loon betalen. Daar draait het in het kort om in de zaak van tien Hongaarse chauffeurs, tegen opdrachtgever Van den Bosch Transport uit Erp. De zaak speelt al jaren. Nu de Hoge Raad zich vorige week heeft uitgesproken over de kwestie, is er niet veel meer duidelijkheid gekomen, behalve dat de definitieve uitspraak nog wel even zal duren. Feit is wel dat de claim van FNV dat ‘Met de uitspraak van gesteld worden dat chauffeurs recht hebben op het loon van het land waar en van waaruit ze gewoonlijk werken’ zeer voorbarig is.

De Hoge Raad heeft de kwestie namelijk teruggeven aan het Gerechtshof in Den Bosch. “De Hoge Raad heeft in feite niets meer en niets minder gezegd dan dat het Gerechtshof opnieuw dient te motiveren of Nederlands of Hongaars recht van toepassing is. Het kan nog beide kanten op.” Dat stelt advocaat Michelle Vrolijk van Advocatenkantoor Vallenduuk uit Haarlem. Zij heeft op verzoek van Logistiek.nl de uitspraak beoordeeld. Dit zijn haar bevindingen.

“Op vrijdag 23 november 2018 heeft de Hoge Raad een tweetal belangrijke uitspraken gedaan over het toepasselijke recht op de arbeidsovereenkomsten van buitenlandse chauffeurs en over de toepassing van de Detacheringsrichtlijn op internationaal transport (wegvervoer). In de eerste uitspraak gaat het om een zaak van tien Hongaarse chauffeurs tegen hun buitenlandse werkgever (Van den Bosch red.)  Op 2 mei 2017 had het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch in deze zaak geoordeeld dat Hongarije als gewoonlijk werkland van de chauffeurs aangemerkt moet worden, of in ieder geval het land waar de arbeidsovereenkomst het nauwst mee verbonden was.

 

Anders dan een aantal nieuwsberichten u willen doen geloven is er op dit moment allesbehalve sprake van een gelopen race voor de Hongaarse chauffeurs

 

Arbeidsovereenkomst met Hongaars bedrijf

Het Gerechtshof baseerde dat op het feit dat alle chauffeurs een arbeidsovereenkomst hadden met een Hongaars bedrijf, zij in Hongarije woonachtig waren en aldaar hun belastingen betaalden en sociaal verzekerd waren. Daarnaast vond het Hof het van belang dat de chauffeurs na hun diensten terugkeerden naar Hongarije en dat zij vanaf het moment van vertrek van huis (in Hongarije) naar de opstapplaats (in Nederland) al betaald kregen.

Nederland niet gewoonlijk werkland

Ook oordeelde het Gerechtshof dat de chauffeurs voor internationale ritten werden ingezet die slechts voor een zeer beperkt deel in tijd en in kilometrage in Nederland werden uitgevoerd. Dat de betreffende internationale ritten begonnen en eindigden vanuit de vestiging in Nederland en dat de chauffeurs daar ook bepaalde werkinstructies ontvingen, vond het Gerechtshof van onvoldoende gewicht om aan te knopen bij Nederland als het gewoonlijk werkland. Hierdoor oordeelde het Gerechtshof uiteindelijk dat Hongaars recht van toepassing was op de arbeidsovereenkomsten van de Hongaarse chauffeurs.

Uitspraak Hoge Raad

De Hongaarse chauffeurs waren het hier niet mee eens en hebben cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Zij stelden zich daarbij (onder andere) op het standpunt dat het Gerechtshof de factoren over de vaststelling van het gewoonlijk werkland en het land waar de arbeidsovereenkomst het nauwst mee verbonden is, niet of op een onjuiste wijze in zijn beoordeling heeft betrokken. De Hoge Raad was het daarmee eens (zo bleek uit de uitspraak van vorige week red.) Om te bepalen welk recht van toepassing is op de arbeidsovereenkomst, heeft het Europese Hof van Justitie namelijk een aantal te nemen stappen geformuleerd. Er moet eerst bepaald worden of het gewoonlijk werkland kan worden vastgesteld. Als dat het geval is, dan dient daarna te worden bepaald of de arbeidsovereenkomst nauwer is verbonden met een ander land (de zogenaamde ontsnappingsclausule). Voor beide onderdelen heeft het Europese Hof Justitie aanknopingspunten geformuleerd waar aan getoetst moet worden. Daarbij heeft het Hof van Justitie ook bepaald aan welke onderdelen heeft meest gewicht wordt toegekend.

Gerechtshof opnieuw aan zet

Kort gezegd komt het er op neer dat het Gerechtshof bij haar beoordeling van het gewoonlijk werkland of het land waar de arbeidsovereenkomst het nauwst mee is verbonden, de daarbij behorende aanknopingspunten door elkaar heeft gebruikt. Het Gerechtshof had dus eerst moeten toetsen aan de aanknopingspunten van het gewoonlijk werkland en daarna – voor zover van toepassing – aan de aanknopingspunten van het nauwst verbonden land. De Hoge Raad heeft de zaak daarom terugverwezen naar het Gerechtshof met de opdracht om opnieuw te onderzoeken en op juiste wijze te motiveren of Hongarije of Nederland het gewoonlijk werkland is en of er aanleiding is voor toepassing van de ontsnappingsclausule.

 

De procedure bij het Europese Hof van Justitie zal lange tijd duren

Anders dan een aantal nieuwsberichten u willen doen geloven is er op dit moment allesbehalve sprake van een gelopen race voor de Hongaarse chauffeurs. De Hoge Raad heeft in feite niets meer en niets minder gezegd dan dat het Gerechtshof opnieuw dient te motiveren of Nederlands of Hongaars recht van toepassing is. Het kan nog beide kanten op.

Zak FNV versus Van den Bosch

In de tweede uitspraak gaat het om de zaak tussen FNV aan de ene kant en de in Nederland gevestigde vervoerder en de in Duitsland en Hongarije gevestigde zusterondernemingen aan de andere kant. Op 2 mei 2017 heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch in deze zaak – kort gezegd – geoordeeld dat de charterbepaling (artikel 44 CAO Goederenvervoer Nederland resp. artikel 73  CAO Beroepsgoederenvervoer) niet op deze kwestie van toepassing is, omdat de Detacheringsrichtlijn niet van toepassing is op internationaal transport.

Het Gerechtshof baseert zich daarbij op het feit dat de Detacheringsrichtlijn refereert aan arbeid dat op het grondgebied van een ontvangende lidstaat (in dit geval Nederland) zou moeten worden uitgevoerd. Is dat het geval, dan zouden de Nederlandse basisvoorwaarden moeten worden toegepast op de betreffende chauffeurs. In deze kwestie ging het echter om internationale transportopdrachten en werden de werkzaamheden dus niet (of slechts in beperkte mate) op Nederlands grondgebied uitgevoerd.

 

Lees ook
‘Foutje’ rechter biedt kansen voor Van den Bosch

 

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat zij in deze zaak eerst zogenaamde prejudiciële vragen zal stellen aan het Europese Hof van Justitie. Het Hof van Justitie zal onder andere antwoord moeten geven op vragen van de Hoge Raad over de toepasselijkheid van de Detacheringsrichtlijn bij internationaal transport, hoe de term ‘op het grondgebied van een lidstaat’ moet worden uitgelegd, of de gezichtspunten van het gewoonlijk werkland van overeenkomstige toepassing zijn en of er anders geoordeeld moet worden in geval van cabotagevervoer.

Ook in deze zaak is een eindoordeel dus nog niet in zicht. De procedure bij het Europese Hof van Justitie zal lange tijd duren. Nadat de vragen zijn beantwoord, zal de Hoge Raad zich opnieuw uitlaten over de vraag of het Gerechtshof terecht heeft geoordeeld dat de Detacheringsrichtlijn in deze zaak niet van toepassing is. Indien dat het geval is, dan is de zaak daarmee afgedaan. Is dat niet het geval, dan wordt deze zaak – net als de zaak tegen de Hongaarse chauffeurs – terug verwezen naar het Gerechtshof en zal daar opnieuw een feitelijke beoordeling moeten plaatsvinden.

Kortom, beide zaken zullen de gemoederen in vervoersland voorlopig nog wel even bezig houden. Dit betekent echter niet dat de vervoerder met nevenvestigingen in het buitenland (of de vervoerder die gebruik maakt van buitenlandse charters), stil moet blijven zitten. Deze bedrijven dienen er nu al voor te zorgen dat de bedrijfsvoering op de juiste wijze is ingericht, zodat dit soort procedures zoveel mogelijk voorkomen kunnen worden.”

 

Reageer op dit artikel