artikel

Brand meester

Warehousing Premium

Volgens een reclamespotje van verzekeraar Achmea/Centraal Beheer gaat 43 procent van de ondernemingen failliet na een grote brand. Zij komen de klap en de financiële nasleep niet te boven. Voorkomen is dus altijd beter dan genezen. Hoe je dat kunt en moet doen, staat in het Bouwbesluit.

Artikel oorspronkelijk gepubliceerd in Transport&Opslag op 24 augustus 2005.

Het splinternieuwe distributiecentrum van Bison International in Goes valt op door het gigantische blik Bison Kit dat de gevel siert. Wat op het eerste gezicht een mooie promotiestunt lijkt, blijkt eigenlijk een enorme opslagtank voor bluswater te zijn. In het blik zit ongeveer een miljoen liter water, dat direct naar de sprinklers vloeit als het pand vol lijmen en kitten in brand dreigt te vliegen.
 

Bison heeft meer aan brandveiligheid gedaan dan het aanleggen van een sprinklerinstallatie. In het dc liggen grote aantallen aerosols (spuitbussen) en oplosmiddelen opgeslagen, die volgens de CPR15-richtlijnen in de hoogste gevarenklasse vallen. In totaal is 900.000 euro in brandveiligheid geïnvesteerd, waarbij Bison is bijgestaan door R2B Inspecties. Het volledige pand, inclusief het dak, is bijvoorbeeld opgetrokken uit een betonnen constructie. Binnen is het dc van 7000 vierkante meter opgedeeld in drie compartimenten, die van elkaar zijn gescheiden door brandmuren en branddeuren. “Volgens de CPR15-richtlijnen mag een compartiment in ons geval maximaal 2500 vierkante meter groot zijn mits de gangpadbreedte 3,5 meter bedraagt”, vertelt -Sjef Christiaansen, directeur product supply organisation van Bison. 
Als er daadwerkelijk brand uitbreekt, wordt het bluswater via de vloer naar de laadkuil geleid en daar opgevangen. Op die manier komen er geen gevaarlijke stoffen in het milieu terecht.
 

Fire barriers

De sprinklers zijn niet alleen aan het dak bevestigd, maar ook in de stellingen op elk niveau. Enkele speciale locaties zijn zelfs uitgerust met dubbele sprinklers, voor en achter in de locatie. Boven in deze locaties zijn brandschotten bevestigd – ‘fire barriers’ genaamd – die het vuur dicht bij de brandhaard houden, waardoor de sprinklers eerder beginnen te werken. Om risico’s verder in te perken, zijn deze locaties zoveel mogelijk in kleine hoeveelheden door het magazijn verspreid. Deze locaties zijn bestemd voor producten met oplosmiddelen in kunststof verpakkingen. “Volgens de sprinklervoorschriften zijn deze producten bijna niet te beveiligen”, aldus Harrit Broos van R2B
 
Inspecties.

Met de plaatselijke brandweer en verzekeringen heeft Bison het nodige overleg moeten voeren over alle voorzieningen. “De meeste sprinklervoorschriften gelden voor panden tot 9 meter hoogte”, vertelt Broos. “Dit pand is 12 meter hoog. Daarom hebben we uitgebreid moeten zoeken naar voorschriften die specifiek voor dit pand gelden. Het overleg was noodzakelijk om de brandweer en de verzekering achter die voorschriften te krijgen.”

Niet alle elementen uit de voorschriften zijn altijd even logisch. Zo moest volgens de voorschriften op het laatste moment een speciale deur worden gemaakt, waardoor de brandweer naar binnen kan om een deel van de sprinklerinstallatie eventueel dicht te draaien. Een kostbare maatregel. Broos: “De vraag is of je daadwerkelijk van zo’n deur gebruik maakt als er brand is. Maar het staat in de voorschriften en daar is vast ooit een goede reden voor geweest. Bovendien is het belangrijk om aan de voorschriften te voldoen, bijvoorbeeld om geen problemen te krijgen bij de overstap naar een andere verzekeraar.”
 

Verschillen in interpretatie

Discussies met de lokale instanties zijn geen uitzondering als het gaat om brandveiligheid. Hoewel in het Bouwbesluit uit 2003 de brandveiligheid wettelijk geregeld is met landelijk uniforme regels, willen gemeenten nog wel eens aanvullende eisen stellen. Het Bouwbesluit vermeldt immers slechts minimale eisen. Afhankelijk van de situatie op de eigen industrieterreinen en het potentiële brandgevaar, achten ze het soms nodig om aanvullende eisen te stellen. Zeker na de cafébrand in Volendam en de vuurwerkramp in Enschede hebben gemeentes de eisen flink aangescherpt.

Een onderzoek in opdracht van de Vereniging van Sprinkler Installateurs (VSI) bevestigt dat de interpretatie van bepaalde onderdelen van het Bouwbesluit van gemeente tot gemeente verschilt. Anders gezegd: het brandveiligheidsniveau kan er per gemeente behoorlijk anders uitzien. Alsof er in de ene gemeente binnen de bebouwde kom 80 kilometer per uur gereden mag worden en in de andere hooguit 30.
 

Het verschillend interpreteren van het Bouwbesluit schept niet alleen onduidelijkheid. Het werkt ook concurrentievervalsing in de hand, omdat de ene gemeente veel meer en dus duurdere eisen stelt aan de installatietechnische brandvoorzieningen, terwijl de regels in een aangrenzende gemeente een stuk soepeler zijn. Maar ook binnen één en dezelfde gemeente willen bouw en woningtoezicht en de plaatselijke brandweer elkaar wel eens tegenwerken. Het gevolg is dat bouw en woningtoezicht eisen stelt, die de brandweer weer afkeurt en andersom. Een logistiek ondernemer kan in zo’n geval tussen wal en schip raken.
 

Hoge of lage Vuurlast

Iemand die zich heeft gespecialiseerd in vuurlastberekeningen is senior consultant brandveiligheid Johan Snepvangers van Groenewout. Hij adviseert bijvoorbeeld bij nieuwbouwplannen of compartimentering verplicht is, of juist achterwege kan worden gelaten, en of sprinklers, brandmeldsysteem en andere voorzieningen nodig zijn. “Dat is natuurlijk afhankelijk van de goederen die er worden opgeslagen en of je te maken hebt met een hoge of lage vuurlast. Het maakt trouwens niet uit of de goederen gemakkelijk in de brand gaan. In de praktijk bestaat hierover een misverstand. Ook al duurt het een uur voor ze branden, dat maakt geen verschil. Ik geef altijd het voorbeeld van los papier of moeilijk brandbare PVC kabelmantels. Wat belangrijk is dat als het brandt, hoe lang dat duurt en hoeveel warmte er vrijkomt.”

Met een vuurlastberekening wordt vastgesteld hoeveel warmte er vrijkomt bij een brand. De bouwmaterialen waarmee een pand is opgetrokken plus de installaties geven de permanente vuurbelasting. Daar bovenop komt de variabele vuurbelasting van de opgeslagen goederen. De totale vuurbelasting in megajoules wordt omgerekend naar een equivalente hoeveelheid vurenhout; uitgedrukt in kilogram per vierkante meter.
 

Snepvangers: “Soms komt het voor dat de volledige grootte van een magazijn als één compartiment mag worden beschouwd. Heb je te maken met de opslag van bijvoorbeeld kunststof granulaat, dan komt de grootte van een compartiment nooit boven de duizend vierkante meter uit.” Hij vertelt dat hij zelfs een keer heeft meegemaakt dat een magazijn met een oppervlakte van 12.000 vierkante meter, na berekening van de vuurlast, als één groot compartiment werd goedgekeurd. “Je praat hier wel over een extreme situatie. Het ging over een bestaand pand waarbij ons advies werd gevraagd. In het magazijn lagen grote hoeveelheden steenwolisolatie opgeslagen. Het materiaal was bestemd als voedingsbodem voor de plantenteelt. Natuurlijk had je ook te maken met brandbare delen, zoals een laag PS-schuim aan de onderkant. Maar de grootste hoeveelheden aan volume werd gevormd door de steenwol en uiteindelijk bepaalde dit de (lage) vuurlast.”
 

Compartimenten

Het Bouwbesluit schrijft compartimenten voor van maximaal 1000 vierkante meter, tenzij gelijkwaardige brandveiligheid kan worden aangetoond. Voorwaarden zijn het voldoende snel en veilig kunnen vluchten, dat een brand zich niet onbeperkt kan uitbreiden en goed is te bestrijden, beheersbaar is. Om brandcompartimenten die groter zijn dan 1000 vierkante meter toe te kunnen toepassen, heeft het ministerie van Binnenlandse Zaken het brandbeveiligingsconcept ‘Beheersbaarheid van brand’ ontwikkeld. Hiermee is de maximale compartimentgrootte in relatie tot de beheersbaarheid te bepalen. Dit is afhankelijk van de vuurbelasting, de aanwezigheid van sprinklers en de mogelijkheid voor de brandweer de brand snel onder controle te krijgen.

Bij compartimenten die kleiner zijn dan 1000 vierkante meter eist het Bouwbesluit een vuurbelasting van 30 minuten, ook als de hoeveelheid brandbaar materiaal hoger is dan 30 kilogram vurenhout per brandduur van 30 minuten. Hier een wand met een brandwerendheid van 30 minuten ontwerpen en uitvoeren is geld weggooien. De wand bezwijkt ruim voordat de brandweer zover is en de brand slaat alsnog over naar het aangrenzende compartiment.

Brandmuren kunnen worden opgebouwd van cellenbeton. Dat is een natuurlijk materiaal gemaakt van kalk, zand en cement. De steen bevat na het bakken duizenden ingesloten cellen. In die cellen met stilstaande lucht schuilen de bijzondere eigenschappen: een hoge isolatiewaarde, het vermogen warmte op te nemen en snel af te staan (warmteaccumulatie), geluidsabsorptie, vochtongevoeligheid en bovenal de brandwerendheid. Ytong cellenbeton is door TNO tot 360 minuten op brandwerendheid getest en wordt dan ook als onbrandbaar beschouwd.
 

Sprinklers

De hoofddraagconstructie van het magazijn of dc moet normaal gesproken een minimale brandwerendheid hebben. Dat wil zeggen: zij moet bij brand voldoende lang sterk genoeg blijven om instorten tegen te gaan. Met een zware, dure constructies en dure brandwerende materialen en coatings is dit te realiseren. Als gebruik wordt gemaakt van een sprinklerinstallatie, kan de constructie lichter en goedkoper worden gehouden en zijn deze brandwerende materialen vaak overbodig. De brandwerendheid van de draagconstructie mag dan bijvoorbeeld terug van 120 minuten naar 30 minuten. Bovendien mogen vluchtwegen langer zijn, waardoor ook minder nooduitgangen nodig zijn.
 

Wel is het zo dat er brandwerende muren nodig zijn tussen ruimten mét en zonder sprinklerinstallatie. Als je een dergelijke installatie gebruikt, zijn ook grotere compartimenten toegestaan. Daarover zijn gemeentes en experts het eens. Wel is er verschil van mening over de grootte ervan.

Met een sprinklerinstallatie heb je de brandweer als het ware permanent in huis. Het systeem ontdekt en signaleert een brand al in een vroeg stadium en grijpt onmiddellijk in. Vanaf het moment van detectie wordt automatisch de brandweer gewaarschuwd. Volgens TNO zijn er in Nederland de afgelopen 25 jaar geen gevallen bekend van branden met dodelijke slachtoffers in gebouwen met sprinklerbeveiliging. Van de honderd branden zijn er al 99 geblust, als de brandweer arriveert. Bij automatische beveiliging wordt in Nederland 80 procent van de branden geblust door vijf of minder sprinklers. In gebouwen zonder sprinklers bestrijkt een brand gemiddeld 70 procent totaaloppervlak, waarbij ongeveer 50 procent van de inventaris beschadigd raakt.
 

Brandblussers

Meer dan 85 procent van alle beginnende branden wordt geblust met kleine blusmiddelen. Wat het aantal brandblussers betreft, wordt doorgaans de verzekeringsrichtlijn gehanteerd. Dat wil zeggen: per 200 vierkante meter één brandblusser met een minimum van twee brandblussers per verdieping. Bij de opslag van gevaarlijke stoffen is dit één blusser per 100 vierkante meter en minimaal drie per verdieping. Op verdiepingen die kleiner zijn dan 100 vierkante meter en in vrijstaande gebouwen, kleiner dan 50 vierkante meter waar geen opslag van gevaarlijke stoffen is, kan is één brandblusser voldoende.

Brandblussers zijn per categorie ingedeeld: poederblussers (ABC), koolzuursneeuwblussers (B), sproeischuimblussers (AB) en brandslanghaspels.

Preventieve maatregelen
Maatregelen om een bedrijfspand te beveiligen tegen brand zijn:

  • Bouwkundige maatregelen
  • In het Bouwbesluit staan de minimale eisen. Er zijn ook materiaalvoorschriften, zoals voor: brandwerende beglazing; beschermende staalconstructies; brandmuren, isolatiematerialen en rookluiken.
  • Organisatorische maatregelen
  • Opgeleide medewerkers moeten er bij brand voor zorgen dat het personeel snel en zonder paniek het gebouw verlaat volgens een specifiek ontruimingsplan.
  • De Arbo-diensten geven meer informatie over ontruimingsplannen.
  • Signalering
  • Brandmeldsystemen signaleren/melden beginnende branden, de brandweer wordt direct gewaarschuwd. Er zijn ook zelfdenkende brandmelders die reageren op warmte, rook of straling.
  • Repressieve maatregelen
  • Alle middelen voor het blussen of doven van een brand, zoals handblusapparaten en slanghaspels. Stationaire blusinstallaties werken bijna altijd automatisch, zoals sprinklers, schuimblusinstallaties, blusgasinstallaties en poederblussystemen. Soms gaat het om combinaties van deze systemen.

Sprinklersystemen

Bij beginnende brand stijgt de temperatuur. De vloeistof in de ampul zet uit, het glas van de ampul breekt en de sprinkler gaat sproeien. De soort vloeistof en onder andere de soort en dikte van het ampulglas bepalen wanneer het sproeien begint. Eén sprinkler kan 6 tot 20 vierkante meter beveiligen.

Er zijn vier verschillende sprinklersystemen op de markt:

  1. Nat systeem. Alle leidingen van het systeem zijn continu met water gevuld; bij detectie begint direct het sproeien.
  2. Droog systeem. Voor ruimten waar het kan vriezen. Alle leidingen zijn gevuld met droge lucht. Bij detectie van brand, gaat de hoofdwaterklep open en start het sproeiproces.
  3. Pre-action systeem. Een droog systeem, vooral voor ruimten met meer dan gemiddelde gevoeligheid voor waterschade, maar ook voor koel- en vrieshuizen. Bij branddetectie lopen de leidingen vol, waarna de ampul breekt en het sproeien begint. Bij beschadiging van een ampul wordt niet gesproeid.
  4. Deluge systeem.Voor situaties waarbij een brand zich extreem snel kan uitbreiden. Alle sproeiers treden gelijktijdig in werking.
Reageer op dit artikel