artikel

Traceability is taak van alle ketenpartners

Supply chain

“Door de General Food Law is elke schakel in de keten verplicht te voldoen aan traceability”, zegt Joost Hooijberg van CSM Suiker. “Maar wij als grondstoffenleverancier kijken bovendien naar optimalisatie van bedrijfsprocessen, ketenintegratie en standaardisering. Verder willen we vooral blijven werken zoals we al deden.”

Artikel oorspronkelijk gepubliceerd in Logistiek op 9 juni 2006.

Bij CSM wordt gewerkt met seizoenpieken. Zo worden in drie maanden tijd zo’n 2,5 miljard kg bieten verwerkt. Het gaat dan om achthonderd vrachtauto’s per et-maal. “Wij produceren voor een groot deel op voorraad”, aldus Hooiberg. “We labelen één keer, op het moment van verpakken en verlangen van onze leveranciers ook een standaard. Wij gebruiken EAN 128 labels op palletniveau. Er zijn ook klanten die niet van elk product een volle pallet willen. Dan maken we natuurlijk wel een nieuw label. We hadden niet verwacht dat sommige klanten voor suiker in bulk, met bulkauto’s, ook dit label willen.”

“Basis voor een betrouwbare tracking & tracing vormt de data-invoer aan de bron en elektronische datadoorgifte”, zegt Armand Schins van Albert Heijn, aan de andere kant van de keten. “Het moet inderdaad zo zijn dat de informatie eenmalig, aan het begin, wordt ingevoerd op basis van GS1-standaarden, om daarna de hele keten te doorlopen. Maar om deze enorme ketenvoordelen te bereiken moeten zowel bij retailer als leveranciers mensen en tijd worden vrijgemaakt.”

Wat schrijven jullie voor?

CSM verlangt ‘zo weinig mogelijk’ van de leveranciers van grondstoffen en verpakkingsmaterialen. Hooijberg: “Een EAN-label met EAN-verzendcode, EAN-artikelcode handelseenheid met het aantal of een EAN-artikelcode verzendeenheid batchcode.”

Bij Van Uden Food Express heeft 52 procent van de pallets in de goederenontvangst geen EAN-label. Dat is best veel”, aldus Rob Friederichs van het bedrijf. “Of leveranciers hebben nog geen goed informatiesysteem, of ze gebruiken niet de juiste EAN-128 standaard. Grote klanten hebben het wel allemaal. Via een verzendbericht meldt een leverancier zich aan dat hij bijvoorbeeld morgen een zending aan je wil leveren. Zo is al bekend wat er komt. Zodra een zending binnenkomt, voorzien wij elke pallet van een eigen palletnummer. Vervolgens moeten we zelf artikelnummer, aantal colli en THT-datum vastleggen in het WMS. Als er al wel een label is, de overige 48 procent, scannen we twee barcodes met artikelnummer, aantal colli, THT-datum, lot- nummer en EAN-verzendcode.”

Van Uden gebruikt bij het picken ook een eigen label. “Dat is geen standaard, maar dit etiket hadden wij al langer, met informatie die wij nodig hebben. Wel hebben wij een barcode met de EAN verzendcode toegevoegd.” Bij Van Uden gaat het bij het uitslagproces voor de helft om volle pallets en de andere helft om gemengde (pick)pallets. “Op gemengde pallets kun je geen label plakken, maar daar is ook geen vraag naar vanuit de markt.”

Om verdere kosten uit de keten te halen en responsief te reageren, schrijft AH zijn leveranciers voor om per 1 maart 2007 volledig over te zijn op EDI. Schins: “Dat klinkt dwangmatig, maar vergeet niet dat we al tijden de voordelen schetsen en aangeven dat het nodig is voor de verdere trajecten. In 2008 willen we namelijk volledig scannen in dc en winkel. Dus vanaf nu gaan we steeds meer het label gebruiken dat leverancier zo braaf plakken. Alleen door nu de stappen naar EDI en scanning te zetten, kunnen we het vervolg- traject ingaan. Dat betekent dat we tussen 2009 en 2015 overgaan op tracking & tracing. Leveranciers moeten ook zelf de voordelen zien van het werken met GS1-standaarden. Het gaat om voordelen voor de klant. Daarom moeten we allemaal meedoen.”

Voor traceability gaat het bij CSM om een gefaseerde invoering. Hooijberg: “Voor ons zijn eerst de suikerproducenten aan de beurt. Later volgen de verschaffers van ingrediënten en verpakkingsmaterialen. Het gaat om pallets met een minimum batchgrootte. Met ons ERP- systeem als basis, is het dan ook traceerbaar. Dit ERP wordt dan gekoppeld aan de middelware, waardoor ze onderling kunnen communiceren. Ik raad aan hier niet op kosten te besparen. Voor een dubbeltje op de eerste rang willen zitten betekent een storingsgevoelig systeem. Vrachtauto’s die moeten wachten vanwege een storing kosten echter veel meer geld.”

Levert traceability de ketenpartners evenveel op?

“Omdat traceerbaarheid een verplichting is, maakt het niet uit of we daarvoor investeringen moeten doen, omdat iedereen dat moet”, aldus Hooijberg. “Hoe je die verplichting oplost is wel van belang. Hoe groot moet de batch zijn? En hoe grof of fijnmazig moet je terug kunnen?”

CSM labelt alles, of klanten het nu gebruiken of niet. Hooijberg: “Retailers gebruiken het, maar ook leveranciers van retailers zouden er wat aan hebben, al denk ik dat het gebruik daar nog vrij laag is. Aan de andere kant: als zij batchcodes van tevoren op een Excel-sheet willen hebben, doen wij dat niet. Daar kunnen wij niet aan beginnen. Wij werken juist met standaarden om zo weinig mogelijk kosten te maken. Als één klant een specifieke wens heeft, moet hij de kosten daarvan zelf dragen en niet afwentelen op ketenpartners die wel voldoen aan standaarden.”

Op het gebied van voedselveiligheid is de noodzaak voor CSM niet direct aanwezig. “Het product suiker blijkt in de praktijk vrijwel nooit klachten op te leveren, dus lopen wij zelf weinig risico’s. Het gaat overigens niet alleen om het zekeren van de processen, van suikerproductie tot klant, maar ook om het verminderen van risico’s ten aanzien van criminaliteit of terrorisme. Vanwege security hebben wij al onze bulkauto’s verzegeld.”

Logistiek dienstverleners moeten, als intermediair tussen producent en retailer, investeringen doen. “Je moet investeren in het label en maakt kosten om het erop te plakken, terwijl de voordelen toch vooral bij de ontvanger zitten”, aldus Friederichs. “Maar de kosten die je maakt, zitten verrekend in het contract met de producent, als klant, en die kan het weer doorrekenen in de prijs van het product aan de retailers.” Alledrie zeggen dat niet gedacht moet worden in termen van kosten, omdat het er veel meer om gaat wat het oplevert.

Wat zijn de kostenbesparingen op termijn?

“Dat is lastig te kwantificeren”, vertelt Hooijberg. “Het gaat om opbrengsten in de zin van het belang voor de klant. De klanttevredenheid en daardoor klantenbinding die je krijgt.”

“Ook bij ons zie ik het toch vooral als indirecte opbrengsten en daar toch ook een pr- en marketingvoordeel uit weten te halen”, zegt Friederichs.

“We moeten in de gaten houden dat het niet om de standaarden gaat, maar om de consument”, aldus Schins. “En die wil differentiatie. Daar spelen we met diverse winkelmerken en –formules ook op in. Leveranciers en retailers moeten hun administratieve processen op elkaar laten aansluiten, zodat beide partijen ervan kunnen profiteren. Het gaat dan om zaken als betere voorraadinformatie, minder werk bij verzenden en ontvangen, minder retouren en betere tracking & tracing.

Volgens Friederichs is ketenoptimalisatie een moeizaam proces, juist omdat er meerdere partijen bij betrokken zijn. “Omdat wij geen commerciële relatie met retailers hebben verloopt het proces minder snel dan we eigenlijk zouden willen.” Wel is volgens hem de hele keten gebaat bij standaardisatie. “Het maakt dat de logistiek dienstverlener niet zelf het wiel hoeft uit te vinden. Logistiek dienstverleners kunnen ketenoptimalisaties versterken, juist als intermediair, maar dan moeten ze wel als partij en als katalysator erkend worden. Als een retailer bijvoorbeeld wil dat producten anders worden aangeleverd, kan hij met al zijn leveranciers apart contact opnemen, maar hij kan het ook aan ons vragen. Dan heeft hij in een klap contact met meerdere fabrikanten.” “Ik heb graag dat de logistiek dienstverlener als katalysator optreedt. Maar dan moet hij wel aangeven welke klanten hij heeft, want dat weten we vaak niet”, aldus Schins.

“Ik hoor van alle kanten dat standaardisatie in de keten aan het eind van het traject, van logistiek dienstverlener naar retailer al goed geregeld is”, vervolgt Schins. “Toch vind ik dat ook daar nog verbeteringen nodig zijn. Dit alles onder het motto geen kosten toevoegen maar kosten besparen.”

Tracking & tracing is voor Albert Heijn minder van belang bij vendor managed inventory en bij just-in-time leveringen, omdat dat ultrakorte ketens en hoog-frequente leveringen zijn. Het is vooral van belang voor emballage en import, anders kun je niet responsief reageren op de klant. Het is voor ons zeker van belang vanuit kwalitatief oogpunt, om recalls efficiënt te kunnen uitvoeren. Dan moet de informatie wel 100 procent accuraat zijn. Hierom nemen we bij recalls nog steeds de hele voorraad uit de handel. Het risico is te groot zolang de traceability niet voor honderd procent betrouwbaar is. Wij nemen geen risico’s met de gezondheid van onze klant.”

“Met traceability hebben we meer grip gekregen bij eventuele incidenten die ontstaan”, zegt Hooijberg. “Ook hebben we nu meer operationele efficiency en meer informatie over het productieproces en de logistiek, met voorraadinformatie die tijdig en adequater is. En de klant is tevreden, want wij krijgen geen klachten.”

‘Verbeter de keten’

Volgens Dorien Mouthaan (GS1 Nederland) lag bij het themacongres Traceability 2006 ‘Verbeter de keten’ de focus op de levensmiddelenbranche, omdat traceability hier een hot item is. “Vorig jaar lag het accent op de General Food Law (GFL). Nu plaatsen we het in een breder perspectief, wat verder geoptimaliseerd kan worden in de keten.”

In de retail staan door supermarktoorlogen de prijzen onder druk. Bovendien is de consument veeleisender geworden, omdat ze meer producten in kleinere bestelhoeveelheden en vaak just-in-time geleverd willen hebben. Hogere leverfrequenties zijn nodig. Samen met de verplichting te voldoen aan de GFL is ketensamenwerking noodzakelijk. Het gaat daarbij om het in goede banen leiden van goederen- en informatiestromen.

De oorsprong van voedsel(ingrediënten) door de hele voedselketen (van boer tot bord) moet snel te achterhalen zijn. In elk geval moet de eerdere en de volgende schakel in de keten (dus de leverancier en de eerstvolgende afnemer) te achterhalen zijn, zoadat bij eventuele rampscenario’s snel gehandeld kan worden.

“Basis voor traceability in de keten”, aldus Mouthaan, “is dat de interne traceability van de individuele bedrijven op orde is. Daarna gaat het om externe traceability, tussen bedrijven in de keten. Een integraal systeem van GS1-standaarden zorgt daarbij voor de ‘connectivity’ tussen de systemen van de ketenpartijen.”

Voor traceability is een unieke automatische identificatie volgens wereldwijde standaarden (barcodering) eerste vereiste. Bovendien gaat het om standaarden voor elektronisch communiceren (EAN-verzendbericht) en datasynchronisatie. Ook zorgt GS1 voor wereldwijde afspraken rond RFID, bijvoorbeeld voor een standaardisatie in bijvoorbeeld frequentie en het netwerk.

GS1 Nederland probeert een brugfunctie te vervullen tussen gebruikers in Nederland en andere gebruikers. Zo is meegedaan aan een wereldwijd traceability project waarbij bekeken is aan welke eisen het moet voldoen en wat belangrijk is om te registreren. Volgens Mouthaan heeft iedereen traceability technisch wel voor elkaar. “Maar doe je het efficiënt en optimaal genoeg? Samenwerken in de keten en vooral ook communiceren kunnen dit verbeteren.”

Rob Friederichs (Van Uden): “Grote klanten hebben allemaal een EAN-label”

Reageer op dit artikel