artikel

Overzichtsartikel professoren logistiek in Nederland

Home

De universitaire wereld op het gebied van supply chain en logistiek is in opschudding. De vergevorderde plannen om in Nederland een topinstituut van de grond te trekken zal de doorgaans kalme maar ook donkere academische vijver in beroering brengen. Op dit moment ontbeert het wetenschappelijk onderwijs elke vorm van coördinatie. Wat gebeurt er eigenlijk op het hoogste kennisniveau? Wie doet wat en waar liggen de accenten? Het overzicht staat op de volgende pagina’s.

Overzichtsartikel professoren logistiek in Nederland
Professoren in de logistiek

Artikel oorspronkelijk gepubliceerd in Logistiek op 6 februari 2009.

Sinds 1 januari heeft logistiek Nederland er een hoogleraar bij. Prof. dr. Peter de Langen is begonnen als deeltijd–hoogleraar (0,2 fte) aan de TU Eindhoven op een nieuwe, door de Provincie Noord-Brabant gefinancierde leerstoel, die de relatie tussen regio en wereldhaven (Rotterdam) nader moet onderzoeken en doceren.

Verladersorganisatie EVO zag in de benoeming een lang gekoesterde wens in vervulling gaan. “In Nederland was tot nu toe nog geen academisch onderwijs op het gebied van goederenvervoer”, meldde de organisatie. Bij die opmerking zal op de vijftien universiteiten, die dit land rijk is, menig hoogleraar zich de ogen nog eens hebben uitgewreven. De volgende pagina’s laten zien dat bijna vijftig professoren zich op een of andere manier bezig houden met supply chain of logistiek. Dat is doorgaans veel breder dan het verplaatsen van goederen alleen. Maar daar zal in de collegezalen best wel over gesproken worden.
 

De Langen is begonnen met één dag onderzoek per week. Het onderwijsdeel moet nog ontwikkeld worden. Dit gaat hij doen samen met collega Ton van Woensel. “We maken een vak over goederenvervoer en strategische en operationele distributievraagstukken.” De Langen typeert zijn nieuwe leerstoel als beleidgericht. “Mijn uitdaging is om de positionering van Brabant en de relatie tussen de logistieke hotspots daar en de zeehavens te onderzoeken.” Voor De Langen een waardevolle combinatie met zijn strategische werk voor het havenbedrijf Rotterdam. “Ook voor de TU voegt het iets toe, omdat ik mij volledig richt op distributielogistiek en de logistieke processen en ketens met verladers.”
 

Delftse leerstoelen

De technische universiteit in Delft roert eveneens de trom. Dit voorjaar mag een nog te benoemen hoogleraar zich deels (0,4 fte) vrijmaken voor een leerstoel, die vooral moet kijken naar de maatschappelijke en politieke context waarin het goederenvervoer moet opereren.

Met nu jaarlijks circa vijftien afstudeerders staat Delft nog niet prominent op de kaart als het gaat om logistiek. Hier komt volgens prof. Bert van Wee snel verandering in. “Over een jaar hopen we vier logistieke leerstoelen te hebben in Delft”, aldus Van Wee, die de leerstoel transportbeleid en logistieke organisaties bekleedt.
 

Onderzoeksbureau OTB start samen met de faculteit Civiele Techniek en Geowetenschappen een leerstoel gericht op vrachtvervoer en het gebruik van transportnetwerken en er komt ook een leerstoel logistiek vanuit een meer werktuigbouwkundig perspectief.

De Universiteit van Amsterdam krijgt ook een nieuwe leerstoel met de naam Supply Chain Optimization aan de faculteit Economie en Bedrijfskunde. Prof. Jack van der Veen verhuist na achttien jaar Nyenrode naar Amsterdam en neemt zijn leerstoel mee.

“Voor Amsterdam was dit echt een gemis in hun portfolio”, zegt Van der Veen. “In mijn ogen hoort supply chain een geïntegreerd onderdeel te zijn van elke studie economie en bedrijfskunde. Dat verklaart ook waarom je op heel veel plekken in dit land logistiek of supply chain kunt studeren. Ik geloof er niet in dat één wetenschappelijk instituut zich dit vakgebied kan toe-eigenen. Het zou wel goed zijn als er meer coördinatie komt, maar daar ziet blijkbaar niemand in de academische wereld zelf de noodzaak toe.”

Voor een nieuw op te richten topinstituut ziet Van der Veen nauwelijks een goede voedingsbodem. “Straks is er wel een topinstituut, maar zijn er geen studenten. Pas als het bedrijfs–leven daar voluit gaat achter–staan en zorgt voor afname van studenten en goede business cases, kan zo’n topinstituut wat worden. Probleem is dat iedereen een beetje mee wil doen. Dat werkt niet. Er moet één instituut het voortouw nemen en er ook geld in willen steken.”
 

Liever virtueel

Ook prof. René de Koster (Erasmus) laat zich enigzins sceptisch uit ten aanzien van het topinstituut. “Vooral omdat dit een fysiek instituut moet gaan worden. Er zijn goede ervaringen opgedaan met een virtuele vorm hiervan als onderzoekschool. Daarmee kun je onderzoeksactiviteiten beter op elkaar afstemmen en de productiviteit stimuleren.”

De Koster meent dat de wetenschappelijke meerwaarde van een dergelijk topinstituut pas tot zijn recht komt, als er een belanrijke plaats wordt ingeruimd voor het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek. “Onderzoek dat door wetenschappers zelf kan worden geïnitieerd. Cruciaal zal zijn of er faciliteiten zullen komen voor promovendi”, stelt De Koster, die daar niet gerust op is.
 

Goede verdeling

In de discussies over een coördinerend topinstituut laat prof. Ad van Goor (VU Amsterdam) al langer een sceptische houding zien. “Betrek alle universiteiten op voorhand bij de gedachten rond het topinistituut. We hebben al jaren een topopleiding op logistiek gebied dankzij de VLM, waarin hoogleraren van diverse universiteiten participeren. Naar dat model kun je het topinstituut verder vormgeven. Maar ik ben bang dat dit niet gaat gebeuren.”
 

Prof. Jo van Nunen (Erasmus) maakt zich minder zorgen. Hij maakt deel uit van de Commissie Van Laarhoven, waar het idee voor een topinstituut is geboren. “We moeten werken aan een goede verdeling, waarin iedereen tot zijn recht kan komen. De één is niet beter dan de ander, maar wel anders. Ik denk dat er zeker een stimulerende werking zal uitgaan van een topinstituut.”

Van Nunen krijgt steun van medecommissielid prof. Jan Fransoo (TU Eindhoven). “Het topinstituut zal zich liëren aan toponderzoekers, maar niet gaan voor expliciete coördinatie van nationale WO-opleidingen. Universiteiten gaan hun eigen gang. Op basis van objectieve maatstaven (reputatie en publicaties) komen wetenschappers bij elkaar in het nieuwe topinstituut. Ik vind het van belang om van daaruit ook te komen tot een betere samenwerking met de hogescholen. Daar is in mijn ogen zeker behoefte aan.”
 

Niet te klein

In veel bacheloropleidingen is aandacht voor logistiek. Dat verklaart waarom het vakgebied op de meeste universiteiten in dit land op het programma staat. “Goede zaak”, zegt Fransoo. “Studenten kiezen regionaal voor een universiteit. Dus is het zinvol dat veel universiteiten dit vak geven. Logistiek kom je tegen in een studie bedrijfskunde, maar ook in econometrie of in werktuigbouwkunde.”

“Vraag en aanbod zijn blijkbaar met elkaar in evenwicht op –bachelorniveau”, constateert De Koster. “Want anders moeten opleidingen hun deuren sluiten. De doorgevoerde vernieuwing in het WO zorgt er voor dat studenten kiezen voor een brede bacheloropleiding en dan specialiseren met een masteropleiding. Dat komt de diepgang van de studie overigens niet ten goede.”

Volgens Fransoo is het van belang dat de masters voldoende kritieke massa hebben om ook het onderzoek op peil te houden. “Ik geloof niet in een opleiding logistiek die steunt op een paar mensen in de wetenschappelijke staf.”
 

Ook Van Nunen wijst op het onderscheid tussen de faculteiten. “Er zijn opleidingen die aangestuurd worden door één hoogleraar in deeltijd. Wij hebben hier twintig wetenschappers op de loonlijst staan, die honderd procent bezig zijn met dit vakgebied. Dat is natuurlijk een groot verschil.” In zijn ogen zijn Erasmus, TU Eindhoven, VU Amsterdam, Universiteit Twente en Tilburg de logistieke bolwerken op academisch niveau. “Maar het speelveld is breed genoeg, zodat veel wetenschappelijke instellingen hier hun brood in kunnen verdienen.”

Van Nunen zegt zich maximaal te zullen inspannen om er voor te zorgen dat alle universtiteiten met een naam op logistiek gebied aan hun trekken komen.
 

Onderscheidend zijn

Van Goor en De Koster schuiven ook Groningen naar voren als vooraanstaand instituut. In de ogen van De Koster komen op basis van aantal werkzame personen alleen Erasmus, TU Eindhoven en Groningen boven het maaiveld uit. “In Rotterdam leveren we per jaar gemiddeld 70 afstudeerders af als logistici in de pre-experience opleiding en een vergelijkbaar aantal in post-experience opleidingen. Ik schat dat dit de helft is van alle afstudeerders met deze specialisatie afkomstig van alle Nederlandse universiteiten. Zo ongeveer liggen de verhoudingen.”
 

Fransoo komt tot andere aantallen. “Ook in Eindhoven doen we vanuit onze masteropleiding circa 70 afstudeerders per jaar. Binnen de TU zijn er zeker nog 20 andere afstudeerders met een logistieke specialistatie. Tilburg en Groningen doen 30 tot 50 afstudeerders, andere universiteiten 10 of 20 per jaar.” Dat zou het totaal aantal logistieke afstudeerders aan Nederlandse universiteiten jaarlijks op een kleine 300 brengen.
 

Groningen en Eindhoven concentreren zich vooral op de producerende bedrijven binnen de supply chain. Rotterdam en Am–sterdam hebben meer binding met de distributiekant, de haven en retail. Er zijn technisch-logistieke opleidingen met een tweejarige master en niet technische opleidingen met een eenjarige master. Veel meer profilering is er niet. Een uitgewerkte karakterisering van de verschillende academische opleidingen ontbreekt. Van der Veen ziet dat als een probleem dat de hele universitaire wereld betreft. “Op basis waarvan trek je studenten? Er is te weinig onderscheidend vermogen. Logistiek hoort thuis in elke studie bedrijfskunde. Maar het zou goed zijn als in Nederland een paar Centers of Excellence aangewezen zouden worden met een scherp profiel. Liever dat, dan een alles overkoepelend topinstituut.”

 

Academische wetenswaardigheden

  • 49 professoren, in totaal ongeveer 34 fte waarvan 24 fulltime, verdeeld over 13 universiteiten. Leiden en Utrecht hebben geen logistieke leerstoel.
  • Erasmus heeft met 8 fte de meeste aandacht voor logistiek. De Universiteit van Tilburg zit op 5,5 fte. TU Eindhoven is een goede derde met 4,5 fte.
  • Binnen het logistieke speelveld houden de meeste hoogleraren (10) zich met Operations Research en Kwantitatieve Logistiek bezig.
  • Jack Kleijnen is de langst zittende en oudste hoogleraar (geboren 22 november 1940) en benoemd als hoogleraar in 1980.
  • Peter de Langen is met zijn 35 jaar de jongste logistieke hoogleraar. Hij werd op 1 januari dit jaar benoemd.

 

 

Reageer op dit artikel