Een bedrijf dat een nieuw apparaat op de markt brengt, is ook verantwoordelijk voor het afvalbeheer. Over deze regelgeving bestaan veel misverstanden of zelfs totale onbekendheid. Deugt het principe achter de directive eigenlijk wel?
Een bedrijf dat als eerste een nieuw apparaat op de Nederlandse markt brengt, is ook verantwoordelijk voor het afvalbeheer. Dit noemen wij
producentenverantwoordelijkheid, die door de EU steeds meer wordt ingevoerd. Zo ook voor elektronische producten middels de zogenaamde WEEE-directive.
Over deze regelgeving bestaan nogal wat misverstanden onder Nederlandse bedrijven, blijkt uit onderzoek. Of zelfs totale onbekendheid, mede door gebrek aan handhaving. En afgezien daarvan: deugt het principe achter de directive eigenlijk wel?
De regels in het kort
De WEEE directive van de Europese Unie brengt vele verplichtingen met zich mee. Voor de producent of importeur geldt een terugnameplicht voor alle elektrische en elektronische apparatuur. Iedere lidstaat van de EU is zelf verantwoordelijk voor invoering en handhaving.
In Nederland is de WEEE directive geïmplementeerd via Besluit beheer elektrische en elektronische apparatuur (Bea) en Regeling beheer elektrische en elektronische apparatuur (Rea). Kortweg komt het erop neer dat de terugnameplicht geldt voor alle apparaten die voorzien zijn van een stekker en/of batterij/accu. Dit geldt niet alleen voor apparatuur van eigen fabricaat, maar ook voor de zogenaamde historische voorraad en de producten waarvan de fabrikant niet meer bekend of actief is (verweesde apparatuur), waarvoor een gezamenlijke verantwoordelijkheid geldt. Daarnaast gelden inzamelverplichtingen vooral voor de detailhandel/leveranciers en gemeenten.
Onderzoek naar praktijk onder MKB en grote bedrijven
Recent onderzoek suggereert dat het niet goed gaat met het milieu, ondanks de grote aandacht Dit werpt de vraag op hoe het dan staat met de regelgeving, haar handhaving en de effectiviteit ervan. De faculteit Economie en Bedrijfswetenschappen van de Universiteit van Tilburg, TNO en Koninklijke Metaalunie onderzochten de stand van zaken onder leden van Metaalunie en vergeleek deze met grote bedrijven, uit het relatiebestand van TNO en UvT.
Opvallend is de onbekendheid van de regels, vaak bleek de enquête zelf een eye-opener. Producenten/importeurs achten zich - na verstrekking van informatie - vaak wel (geheel of gedeeltelijk) verantwoordelijk voor uitvoering van de richtlijn. Maar dit is (nog) niet altijd georganiseerd. Ook de handhaving van de regels is minimaal en vaak administratief. Lees bijgaand expertartikel voor meer resultaten uit het onderzoek.
Principiële twijfels
Op basis van de bevindingen, ondersteunt door ander onderzoek, pleiten we voor een drastische herziening van de wijze waarop producentenverantwoordelijkheid wordt geïmplementeerd. Behalve praktische kwesties zijn er ook principiële twijfels over het principe van producentenverantwoordelijkheid. Voorbeeld: de gestelde minimale herwinnings-doelstelling; die opleggen dat tenminste 60-80% hergebruik en recycling te realiseren (percentage is afhankelijk van het type product), werken soms averechts. Zo komt het voor dat teveel recycling tot een te hoog energieverbruik leidt, met als gevolg meer CO2 uitstoot. In dat geval is hergebruik als biobrandstof een betere optie, hetgeen maar in beperkte mate is toegestaan.
Wat nu?
Het moet anders, maar hoe precies is lastig. Optimale oplossingen verschillen per situatie. Een weblog is daarom een ideaal platform om ideeën uit te wisselen. Volg het goede voorbeeld van Henk de Folter (RTA), Bart van Kalkeren (Coolrec) en Niels Beerens (Océ): reageer!
Reacties (3)
Wij zijn van mening dat de WEEE Directive een weliswaar complexe, maar in de basis goede richtlijn is als het gaat om de verantwoordelijkheid en financiering bij de juiste partijen. De niet-geharmoniseerde implementatie in de EU-landen heeft echter een groot deel van het beoogde effect doen afnemen. De verschillende wetgevingen maken het een uiterst ondoorzichtig verhaal voor partijen waardoor zowel motivatie als realiseerbaarheid afnemen.
Een ander aspect is dat de WEEE Directive niet gebaseerd lijkt te zijn op de zgn. Ecobalans, met andere woorden: de WEEE Directive is in beginsel ontworpen ter bescherming van het milieu, maar diverse andere invloedsfactoren die ook relevant zijn ten aanzien van het milieu, zijn buiten beschouwing van de Directive gebleven.
Door het ontbreken van handhaving is bij veel partijen de indruk ontstaan dat de Directive niet zo serieus genomen zou hoeven te worden hetgeen vanzelfsprekend vooralsnog de effectiviteit sterk heeft beïnvloed. Nu de eerste boetes worden uitgedeeld omdat bedrijven niet geregistreerd zijn, worden bedrijven wakker geschud en zullen zij alsnog, al dan niet op aanwijzing en met ondersteuning van commerciële partijen, hun zaakjes regelen. Echter: de huidige handhaving lijkt zich vooral te richten op de registratieplicht. Het is zeer de vraag welke –en wanneer- andere elementen uit de wetgeving onderzocht gaan worden.
Wij denken dat producentenverantwoordelijkheid goed kan werken en past binnen het kader van toegenomen verantwoordelijkheden van bedrijven (CSR – corporate social responsability). Wij denken echter ook dat alle betrokken partijen een duidelijke rol hebben om een systeem te laten slagen. Indien consumenten en B2B klanten de beschreven inzamelplicht hebben, zou dat wellicht operationeel wel kunnen werken, maar daarmee is nog niet de financiering geregeld. Wij zijn wel een voorstander van marktwerking en denken dat deze grotendeels is uitgeschakeld door de collectieve terugname systemen. Het is goed als de rollen en verplichtingen van partijen worden gestuurd, maar de keuze van partners zou een vrije keuze moeten zijn op basis van marktwerking.
De rol van de burger of de klant is bepalend voor de effectiviteit van een terugnamesysteem en dus essentieel. Een centrale rol lijkt daarom inderdaad logisch. Wij denken dat dit niet strijdig is met het toepassen van hergebruik. Dit hergebruik hoeft niet per definitie onzichtbaar te gebeuren. Burgers en klanten dienen ook de resultaten van hun inspanningen te zien. Kwaliteitsgarantie is wat burgers en klanten überhaupt eisen. Of een deel van een product nu wel of niet bestaat uit hergebruikt materiaal, zal die eis niet doen toe- of afnemen.
De fysieke kant van RL bestaat uit handling- en transportbewegingen, arbeid en verwerking, dus er zijn hoe dan ook kosten mee gemoeid. Echter: materialen kunnen een positieve waarde hebben en voor de ‘reverse’ transportbeweging kunnen middelen ingezet worden die leeg terugkeren. De meeste kosten zijn dan vaak al gedekt dus de additionele kosten zijn niet groot. RL heeft echter nog een grote andere waarde die overigens niet direct kwantificeerbaar is. Steeds meer producenten beschouwen RL als een soort marketingtool omdat er vaak een contactmoment met de klant ontstaat waar zij zich kunnen onderscheiden (hoe en hoe snel wordt gereageerd op een pick-up request, hoe toegankelijk of bereikbaar is een website of een klanten/klachtendienst, hoe snel wordt een eventueel gerepareerd artikel teruggezonden naar de klant enz.). HP heeft RL bijvoorbeeld duidelijk ingezet als een marketingtool.
Door de zeer verschillende manieren, maar ook momenten van implementatie is er een heel divers beeld ontstaan van wetgevingen en de wijze waarop producenten hieraan invulling moeten geven.
Dit gebrek aan harmonisatie draagt niet bij aan een consistente ‘gehoorzaming’ door producenten, maar het is tegelijkertijd wel een oorzaak van een eveneens divers beeld van handhavings wijzen. Wij denken zeker dat vooralsnog de free riders te makkelijk wegkomen, maar zijn ook van mening dat e.e.a. tijd nodig heeft om te stabiliseren en handhaving in alle EU landen op het juiste niveau plaatsvindt. De industrie (producenten) hebben één primair doel en dat is winst en continuïteit genereren. Dat betekent tegen de laagste kosten, goederen produceren en deze afzetten naar de markt. Daar past recycling van oudsher niet bij en ondanks de marketingwaarde van RL zal een producent daar niet uit zichzelf aan beginnen. Wij denken dat het goed is dat handhaving plaatsvindt om toe te zien op juiste naleving van de wetgeving. Dit is een rol voor de overheid. Dit neemt niet weg dat een aantal elementen in de terugname structuren, gerealiseerd kan worden door een vrije markt. Hierin zou overheidsbemoeienis dus gereduceerd moeten worden.
Ingegeven door de markt waarin we opereren (B2B) en het robuuste productdesign, pionierde Océ reeds in de jaren 70 met de revisie van jonge End-of-Use apparaten. Marktvraag naar gereviseerde apparaten alsmede de gehanteerde design-for-reuse filosofie resulteerden in een positieve businesscase. In 1990 werd de eerste Océ revisie fabriek in Venlo geopend: Asset Recovery. Hierna volgden spoedig meer fabrieken in EU en USA. Tegelijk werden naast de revisie van complete apparaten steeds meer modules en parts gereviseerd.
Océ had dus lang voordat er sprake was van een WEEE wetgeving een operationeel “ontzorgingstraject”. Invoering van de WEEE wetgeving had tot gevolg dat de rapportagestructuur aangepast moest worden.
In tijden van onvoldoende eco-bewustzijn worden overheden gedwongen hun heil te zoeken in wetgeving om haar doelen te bereiken: producenten worden op hun verantwoordelijkheid aangesproken (WEEE).
Echter, een toenemend eco-bewustzijn bij onze klanten alsmede stijgende grondstof- en energieprijzen zullen de business van hergebruik wereldwijd verder aanjagen. Hier helpen standaarden en certificatiesystemen beter dan wetgeving. Het bedrijfsleven verwacht dan ook dat overheden hierop anticiperen: van regulerend naar regisserend en ondersteunend.
Mijn eerste punt gaat over concurrentievervalsing. Uit de cijfers blijkt dat de WEEE-directive het lachertje van de EU is geworden. Men is meestal wel bekend met de regeling maar men (vooral MKB) doet niets, wat is het risico? Het VROM handhavingsbeleid richt zich op de “grote vissen” zoals men dat zelf noemt, de containers in de haven of op aangegeven bedrijven via “klikkers”. En als men al per toeval een ondernemer controleert die niets heeft geregeld dan krijgt hij een waarschuwing en het verzoek snel iets te regelen. Dus geen boete, terwijl men al sinds 2005 in overtreding is. Ik noem dat “het door VROM belonen van valse concurrentie”. En, dan ga ik nog voorbij aan de internationale valse concurrentie er zijn namelijk nog EU lidstaten die de WEEE nog steeds niet in hun locale wetgeving hebben geïmplementeerd.
Dat brengt me op het tweede punt, wat is het nut van de WEEE voor professionele apparatuur? Voor professionele apparatuur was het eigenlijk al geregeld voordat de WEEE er was. Dat klinkt misschien raar uit de mond van de RTA, maar wij zijn uit “nood” geboren om bedrijven die professionele apparaten op de markt brengen het simpelste en goedkoopste alternatief te bieden om aan de wet te voldoen. Want hebt u ooit een operatietafel of een gaschromatograaf in de sloot zien liggen? Ik niet. Onze ondernemers en hun professionele klanten zijn eigenlijk best netjes, ze laten hun afgedankte spulletjes gescheiden ophalen door een afvalinzamelaar. Als de overheid er voor zorgt dat deze afvalinzamelaars netjes hun werk doen en hun e-scrap inleveren bij een vergunde verwerker is er geen speciaal inzamelsysteem voor professionele apparaten nodig. Dat scheelt de ondernemer veel administratieve rompslomp en het rondpompen van geld.
Dan de economische kant: is hergebruik van technologische apparatuur voor het MKB rendabel? Hergebruik van modules of componenten uit professionele technologische apparatuur gebeurt zelden. Of de technologie is achterhaald als een apparaat wordt afgedankt of de retourlogistiek is veel te duur. Wat wel gebeurd is het opknappen en weer verkopen van ingeruilde apparaten, maar dit doet de ondernemer dan zelf. Een collectieve organisatie als RTA speelt hierin geen rol. Onze deelnemers willen het ook niet. Het zou ook raar zijn als een collectief als RTA wat op kosten van haar deelnemers apparaten inzamelt deze apparaten weer “opgeknapt” in de markt zou zetten als concurrent van haar eigen deelnemers. Daarnaast zijn de meeste MKB-ers importeurs/leveranciers die weinig invloed kunnen uitoefenen op het ontwerp van het product dat ze verkopen. Alleen als de maatschappelijke druk op duurzaam ondernemen hoog is zullen onze buitenlandse leveranciers hun ontwerp en retourlogistiek recycling vriendelijk maken. Of, de EU moet hiervoor regels gaan maken.
Henk de Folter, manager stichting RTA, www.stichting RTA.nl.